Waarom je op je werk doet wat je collega doet
Kort gezegd: je past je op je werk vaker aan dan je doorhebt. Je doet iets zoals je collega het doet, of zoals het hier nu eenmaal gaat, en je merkt pas ’s avonds wat het je heeft gekost. Hieronder lees je hoe dat eruitziet aan de hand van mijn eigen eerste baan in de verslavingszorg, waarom je je sterkste kant zelf niet ziet, en hoe je merkt wanneer het aanpassen te ver is gegaan.
Liever luisteren? Dit artikel komt uit aflevering #132 van mijn podcast, Maak het toch niet zo ingewikkeld, je hebt altijd een keuze.
Ik keek alleen maar naar mijn collega’s
Ik was 26 toen ik in de verslavingszorg ging werken. Dak- en thuislozen in de dag- en nachtopvang, mensen die vaak twee keer zo oud waren als ik en die een hoop hadden meegemaakt. Ik kwam uit de kinderopvang, ik had zelf nooit iets gebruikt, en ik was zo groen als gras.
Dus deed ik wat bijna iedereen doet in een nieuwe baan: ik keek naar links en naar rechts.
Naast me werkte een mannelijke collega die grof in de mond was. Dat viel bij deze groep goed, en als het af en toe knalde was dat ook geen ramp. Er was een vrouw die zo zachtaardig was dat de mensen over haar heen liepen. En er was een jonge meid die de regels op haar duimpje kende en daar goed mee uit de voeten kon.
Ik keek naar alle drie en ik dacht: “Wie doet het hier nu goed?” Ze deden het alle drie totaal anders, en bij alle drie werkte het op hun eigen manier. Dus paste ik mijn manier van werken aan op de collega met wie ik die dag werkte. Met de een ging dat prettig, want we zaten op één lijn. Met de ander kostte het me moeite, en aan het eind van zo’n dienst was ik veel meer uitgeput en moe dan nodig.
Grappig genoeg had ik met mijn collega’s nooit ruzie, want ik paste me aan. De ruzie kreeg ik met de mensen om wie het ging. Die hadden namelijk feilloos door dat iets bij mij de ene dag wel mocht en de andere dag niet, en ze vroegen terecht: “Wat zijn nou eigenlijk jouw regels?”
Wat je het beste kunt, zie je zelf niet
Na een paar weken vroeg ik mijn begeleidster hoe ze vond dat het ging. Ik verwachtte dat ze iets zou zeggen over hoe ik met de huisregels omging, want daar was ik de hele tijd mee bezig.
Ze zei: “Je doet het met deze mensen heel goed. Je laat ze in hun waarde, je behandelt ze als mens en niet als dossier, en je hebt er geen oordeel bij. Ze voelen zich gezien en gehoord bij jou. Je hebt geduld, je luistert naar wat ze te zeggen hebben, en tegelijk ben je heel duidelijk over wat wel kan en wat niet.”
Ik wist niet dat dat iets was. Voor mij was dat gewoon hoe je met mensen omgaat. En juist daarmee maakte ik goed wat ik aan kennis en ervaring miste.
Dat is bijna altijd zo. De dingen waar je het sterkst in bent gaan je zo makkelijk af dat je ze niet meer ziet als iets bijzonders. Wat je wel opnoemt als iemand naar je talenten vraagt, zijn de dingen waar je hard voor hebt moeten werken. Lees ook waarom je jezelf minder goed kent dan je denkt.
Zes of acht sneetjes brood
Zo gold er in de nachtopvang een regel over brood. ’s Ochtends kreeg iedereen brood mee, en het waren er zes per persoon. Die regel was er niet voor niets.
Er was een man die elke dag werkte in de groenvoorziening bij een visvijver. Hele dagen buiten, en tussen de middag at hij niet warm. Hij vroeg om acht sneetjes. “Ik heb gewoon honger als ik de hele dag buiten sta,” zei hij, “en warm eten doen we hier niet.” Ik vond dat prima. De man na hem nam er maar twee, dus er bleef genoeg over.
Een paar collega’s vonden dat niet prima. “De regel is zes,” zeiden ze. Daar heb ik gesprekken over gehad, en dan legde ik het uit en was het klaar.
Waar het mij om gaat, is niet het brood. Het gaat om wat er met jou gebeurt op zo’n moment. Als ik die zes sneetjes had aangehouden omdat mijn collega’s dat vonden, had ik daar elke ochtend een rotgevoel bij gehad. Ik had niets fout gedaan, ik had me gewoon aan de afspraak gehouden, en toch had het aan me geknaagd.
Dat is aanpassen. Het gaat zelden over één grote botsing. Het gaat over tien van dit soort kleine momenten per week waarop je iets doet wat je zelf anders zou doen.
Waar jij je aanpast zonder het te merken
Dit hoor ik van de mensen die bij mij aan tafel zitten.
- Je doet het zoals je voorganger het deed, want zo gaat het hier, en je hebt nooit uitgesproken dat je het anders zou aanpakken.
- Je stemt je toon af op wie er die dag zit. Bij de een zeg je waar het op staat, bij de ander verpak je alles, en dat schakelen kost je meer dan het gesprek zelf.
- Je houdt je aan een regel waar je niet achter staat, omdat je geen zin hebt in de discussie erover. Eén keer is niets, elke week is een rekening.
- Je knikt mee bij een besluit waarvan je twee weken eerder al zag dat het scheef zou lopen.
- Je haalt de scherpe randjes van je vragen af, zodat het niet verkeerd valt.
Elk van die dingen stelt op zichzelf niets voor. Je bent professioneel en je doet wat er van je gevraagd wordt. Alleen doe je het de hele dag, elke dag, en daarom voel je ’s avonds wel dat je op bent zonder dat je kunt aanwijzen waarvan. Daar schreef ik eerder een heel artikel over.
Je hebt altijd twee keuzes
Ik neem mijn podcast vaak op in de auto. Soms hoor je het knipperlicht. Daar krijg ik af en toe een berichtje over: “Je zou eens iets aan je geluid moeten doen.”
Dan heb ik twee keuzes. Ik kan mezelf aanpassen en wachten tot ik thuis ben. Dan komt die aflevering er nooit. In de auto heb ik de tijd om hem in te spreken en daar is op dat moment de inspiratie. Thuis heb ik die tijd niet en is dat moment voorbij. Of ik neem hem op zoals hij is, en dan zijn er mensen die afhaken op die ruis. Dat vind ik prima. Dan zijn we geen match, en dat is geen probleem.
Bij jou op je werk werkt het net zo, met één verschil. Gaat het over een afspraak die je kunt uitleggen, zoals bij mij die twee sneetjes brood, dan kom je eruit en werk je gewoon verder. Gaat het over iets waar je niet achter staat en waar geen ruimte voor blijkt te zijn, dan hoort daar een gesprek over te komen. En als dat gesprek niets oplevert, mag je ook besluiten dat jullie afscheid van elkaar nemen.
Je wordt niet blij van werk waarin je elke week dingen doet waar je niet achter staat, hoe goed je ze ook doet.
Wat je eraan doet
- Houd twee weken bij waar je je aanpast. Eén regel per dag: welk moment, bij wie, en wat je eigenlijk had willen doen. Na twee weken zie je of het aan één persoon hangt of overal zit.
- Zoek uit of er ruimte voor is. Ga het gesprek aan over dat ene punt dat het vaakst terugkomt, en leg uit waarom jij het anders zou doen. Je hoort dan meteen of het kan of niet.
- Schrijf op wat je van nature doet. Vraag het ook aan twee mensen die met je werken, en vraag niet waar je goed in bent maar wat jij altijd doet terwijl je er zelf niets bijzonders aan vindt. Daar staat iets tussen wat je zelf nooit had genoemd.
- Kijk of dat op deze plek kan. Kan het, dan weet je wat je te doen staat. Kan het niet, dan weet je dat ook, en dan is vertrekken een besluit in plaats van een vlucht.
Wil je hier zelf mee beginnen, dan is de Mini Kompas Cursus daarvoor gemaakt. Zeven opdrachten in zeven dagen, elke dag een mail en een kwartier werk. Je zoekt uit waarom je werk je nu energie kost in plaats van geeft, wat er wél klopt aan je werk en wat er zou moeten veranderen. Aan het eind weet je of je kunt blijven of beter kunt vertrekken.
Veelgestelde vragen
Je past je toch altijd een beetje aan op je werk?
Ja, en dat hoeft ook niet te veranderen. Het gaat om de hoeveelheid. Een paar dingen per week doen zoals het hier gaat, kost je niets. Merk je dat je de hele dag aan het schakelen bent, dan lek je energie op de omgeving en niet op de hoeveelheid werk.
Hoe weet ik of het aan mij ligt of aan mijn werk?
Kijk waar het zit. Gaat het over één persoon of over een paar taken, dan is daar meestal iets aan te doen. Voel je het overal en al jaren, ook bij je vorige werkgever, dan gaat het over het soort werk en niet over deze plek.
Ik wil geen gedoe maken over een kleinigheid.
Dat hoeft ook niet. Kies het ene punt dat het vaakst terugkomt en leg alleen dat uit. In mijn geval ging het over twee sneetjes brood, en door het één keer uit te leggen was het klaar. Meestal blijkt er meer ruimte te zijn dan je dacht.
Moet ik dan ontslag nemen?
Nee, en dat is bijna altijd de duurste zet. Eerst uitzoeken waar je je precies aanpast en of daar ruimte in zit. Vertrek je zonder dat te weten, dan neem je hetzelfde patroon mee naar je volgende werkgever.
Ik heb mijn werk altijd zo gedaan. Kan ik dat nu nog veranderen?
Ja, en het begint met opschrijven wat je zou doen als niemand meekeek. Dat klinkt klein, en het is het enige wat je nodig hebt om het gesprek te kunnen voeren.
Wil je weten waar jij je aanpast?
Plan een gratis gesprek van drie kwartier. Je vertelt wat er speelt, ik stel de vragen die je jezelf niet meer stelt, en aan het eind weet je of het aan deze werkplek ligt of aan het soort werk dat je doet. Je zit daarna nergens aan vast.
Wil je eerst zelf lezen, download dan het gratis e-book 7 valkuilen die je grootste talenten blijken te zijn. Daarin lees je waarom de eigenschappen die je nu tegenhouden vaak precies je sterkste kanten zijn.